“Je wordt herkend, je hebt nog een naam. Men weet wat er met je aan de hand is. Ja, ik denk dat dat heel waardevol is” (Bianca, activiteitenbegeleidster)
Door: Rieke Schouten
“Toen ik hier net na de oorlog kwam en naar de HBS ging, was ik de enige zwarte. Nu is het andersom en is er vaak maar één blonde in de klas”. Aan het woord is Nanhija (94), tijdens een groepsgesprek voor ouderen met een Surinaamse achtergrond bij OBA Banne in Amsterdam Noord. Ik moet een beetje lachen om wat deze dame zegt. Niet alleen omdat ík het woord ‘zwarte’ nooit in deze context zou durven gebruiken, maar ook omdat het treffend beschrijft hoe ik er vandaag bij zit: ik voel me tussen al deze vrouwen van kleur echt wat je noemt een kaaskop. En dat ben ik ook, met een vader uit Rotterdam en een moeder uit het Veluwse Harderwijk. Toch voel ik me heel welkom in dit vrolijke gezelschap!
Dit verhaal is onderdeel van een artikelenreeks van Stichting RCOAK over Communityvorming met oudere migranten. Lees hier het inleidende artikel. In het hart van de serie maak je kennis met zeven initiatieven die het RCOAK ondersteunt en die zeer effectief zijn in het laten floreren van communities van én met oudere migranten, door het bieden van dat ‘juiste zetje’. Rieke Schouten (Stichting RCOAK) bezoekt al deze initiatieven en doet zo van binnenuit verslag. De OBA is initiatief #7. Hierna volgt nog een afsluitend, meer analytisch artikel.
De bieb is voor iedereen
De Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) is in 2016 gestart met activiteiten voor ouderen, in het kader van het Europese project ‘Ouderen in de wijk’. Het begon met twee vestigingen, inmiddels zijn er groepen in 13 van de 31 vestigingen. Mayssa Joni, adviseur binnen de OBA vertelt waarom: “Kijk, het aandeel ouderen in Nederland groeit al jaren. Vanaf 2025 waren er voor het eerst meer 65-plussers dan jongeren tot 20 jaar in Nederland. De bibliotheek richt zich op de hele levenscyclus van mensen: je komt binnen als baby of peuter, daarna word je schoolkind en dan student. Ouderen zijn ook een heel belangrijke doelgroep van de OBA. Daarom vinden we het belangrijk om ook voor hen activiteiten te organiseren”. Vaak hebben die ouderen een migratieachtergrond. Mayssa: “Als bibliotheek wil je representatief zijn voor de wijk, je wilt alle culturen in huis halen. Het is vanzelfsprekend dat je dan kijkt wie je binnen hebt, en wie nog niet”.
Hier in OBA Banne komt de groep al vanaf 2016 samen, op donderdag van 10.00 tot 12.00 uur. De groep is een mix van vooral ouderen met een Surinaamse en met een Nederlandse achtergrond. Activiteitenbegeleidster Bianca Gastaldo: “de Surinaamse ouderen kwamen druppelsgewijs binnen. Een aantal woont bij elkaar in de straat en zij namen elkaar mee. Maar er zijn er ook die elkaar niet kenden. Misschien dat het programma hen aanspreekt?” Dit programma verschilt per week en wordt deels door de OBA ontwikkeld, en komt deels van partners, zoals Het Danspaleis uit ons eerdere artikel. Co-creatie heeft hier de vorm van ‘uitproberen en aanpassen’. Mayssa: “Als we iets nieuws beginnen, dan kan ík dat nog zo leuk vinden. Maar als het niet aanslaat, dan slaat het niet aan”. Vaak wordt een activiteit op één vestiging uitgeprobeerd en volgen er meer als het goed wordt ontvangen . Daarnaast zijn er af en toe groepsgesprekken, zoals vandaag, met een specifieke groep. Mayssa: “Soms is het goed om een groep er even uit te halen om te kijken: Past het nog wel? Wat zijn jullie wensen? Ja, even testen, dat is belangrijk. Het ontwikkelt zich zo organisch”.
Pasen, Keti Koti en Holi Phagwa
Als ik op deze donderdag in februari tegen lunchtijd OBA Banne binnenloop, is het programma net afgelopen: trainer Dennis van Senior League Amsterdam heeft net een dynamische ‘Shape’-beweegworkshop verzorgd. De sfeer is geanimeerd. Deelnemers nemen nog een kop koffie of thee en praten even na. Ik hoor dat ook een paar peuters met hun moeder hebben meegedaan, die toevallig binnen kwamen lopen om boekjes uit te zoeken. Want zo werkt dat, in de bieb is iedereen altijd welkom.
In een leeszaal ernaast heeft Bianca de tafel gedekt voor het groepsgesprek met de Surinaamse deelnemers. Het ontbreekt aan niets: croissantjes, harde broodjes, kaas en vleeswaren, tomaat en komkommer, salades en fruit. Acht dames schuiven aan, het valt me op dat ze er zo fleurig en vrolijk uitzien. Ik zie ook dat ze op leeftijd zijn; achteraf hoor ik pas dat enkele van hen ver in de negentig zijn, dat had ik ze niet gegeven! Mayssa legt uit wat het doel is van deze lunchbijeenkomst: “We willen als OBA graag meer doen op het gebied van de cultuur van het land waar je vandaan komt. En we hopen dat jullie het hier naar je zin hebben. Dus vertel eens: wat kunnen we anders of beter doen?”
Het gesprek dat volgt golft heen en weer van Suriname naar Nederland, van vroeger naar nu. En het gaat natuurlijk over de OBA en deze groep. De vrouwen reageren op elkaar, er is veel herkenning. De toon is soms serieus, maar er wordt ook veel gelachen. Fijn voor de OBA is dat de dames erg tevreden zijn. Meer aansluiten op hun cultuur kan door ook iets met Keti Koti te organiseren, bijvoorbeeld een workshop over Surinaamse klederdracht. En verder zijn de Christelijke feestdagen belangrijk voor deze ouderen: Kerst, Pasen, Pinksteren. Eén vrouw haakt daarop in: “Ik ben Hindoestaanse, dus onze cultuur is anders. Maar in Suriname vierden we gewoon met z’n allen Holi Phagwa. Daar deden we de meeste dingen samen”. Dit punt krijgt veel bijval: “In Suriname zijn erg veel gemengde huwelijken. Ik heb bijvoorbeeld een grootvader van Chinese afkomst”. Suriname als smeltkroes is herkenbaar voor mij, toen ik daar in 2000 was, vond ik het zo bijzonder dat de moskee en de synagoge in Paramaribo zij aan zij staan.
De deelnemers zeggen het fijn te vinden dat de groep hier ook gemêleerd is. En dat ze in de bieb en de buurt allerlei soorten mensen tegenkomen: “We praten met iedereen, dat is juist het leuke. Dan krijg je iets meer kennis over de verschillende culturen”. Bianca krijgt als vaste begeleidster een dikke pluim van de dames: “Ze is altijd vriendelijk, en we mogen meedenken”. “En ze weet hoe ik graag de koffie drink, met een beetje water er nog in, dat is fijn”.
Aan het eind van de lunch blijkt dat de groep volgende week niet compleet zal zijn. Twee deelneemsters gaan ‘even kijken hoe het met Switi Sranang gaat’. “Groet Suriname van me!” zegt een andere deelneemster vrolijk.
Babbeltjes
De groep is betekenisvol voor de deelneemsters, zo blijkt ook uit de interviews achteraf. Ze genieten van de verschillende activiteiten. Maar het meest belangrijk is de gezelligheid en het contact met elkaar. Lucia (81): “De gesprekken, ja toch? De babbeltjes die we hebben met elkaar”. Bianca is het daar helemaal mee eens en voegt eraan toe dat het voor de deelnemers van waarde is dat zij gezien worden: “Je bent iedere week eventjes met een vertrouwd groepje. Je wordt herkend, je hebt nog een naam. Men weet wat er met je aan de hand is. Ja, ik denk dat dat heel waardevol is”.
Het is daarnaast fijn voor de deelnemers om hun verhalen te delen, van vroeger en van nu. Er is veel herkenning onderling, en dat brengt een gevoel van saamhorigheid. Ultra (74): Fijn om ervaringen van vroeger te delen, van toen we hier kwamen. Het zijn herkenbare verhalen, maar iedereen bekijkt het weer vanuit een ander perspectief”. Bovendien is er zorg voor elkaar. Mayssa: “Als er iemand één week niet komt of twee, dan gaan de alarmbellen rinkelen binnen de groep en dan bellen we even. Dat is sociale controle op een positieve manier, omdat je ouder bent en op elkaar let”. Soms spreken deelneemsters onderling af, om thee te drinken of samen iets te ondernemen.
Ja, de betekenis is groot. Bianca: “Bij de uitvaart van een deelneemster werd in de speech gezegd hoe belangrijk het voor moeder was dat zij, na het overlijden van haar man, naar de OBA kon komen. Alle contacten die zij hier had, en het houvast dat het haar gaf. Dat vond ik geweldig om te horen”.
Door het ijs gezakt
Er is veel plezier en tevredenheid dus. Toch merk ik dat er bij een deel van deze sterke vrouwen óók teleurstelling is. En ja, dat heeft te maken met kleur, om het maar bij de naam te noemen. En met ‘Hollandse’ dominantie. Dat was vroeger al zo, in Suriname. Ultra: “ik woonde in Wageningen, in Suriname. Daar woonden ook veel Hollanders. Veel Surinamers werkten in de ochtenden bij hen als dienstmeisje of kok. Dus dan mocht je in de Hollandse wijk komen. Maar als je er in de middag of avond liep, werd je aangesproken door bewakers die vroegen wat je daar te zoeken had”.
Veel van deze vrouwen waren bij aankomst in Nederland verbaasd dat er hier zo weinig kennis over Suriname was, terwijl ze op school in Suriname heel veel over Nederland hadden geleerd: “De hele topografie, ik leerde dat de Rijn bij Wijk van Duurstede splitst. En we lazen Hollandse kinderboekjes, van Jaap en Gerdientje bijvoorbeeld, waarin Jaap door het ijs zakt. Ik had geen idee wat ik me daarbij voor moest stellen”. Dat gebrek aan belangstelling en inlevingsvermogen kwamen en komen ze vaker tegen. Net als racisme, helaas. Ultra: “Toen ik hier pas kwam wonen waren er werklui bezig aan de overkant. Soms gaf ik ze koffie. Op een dag liep ik voorbij en zei één van die mannen ‘zwarte piet’, zomaar uit het niets”. Nanija: “als ik naar school ging kwam ik vaak een jongen tegen die ‘pinda, pinda’ naar me riep, Nou, die heb ik wel op z’n kop gegeven”. Het raakt me, als zij dit vertellen. Ja, ik voel me bijna schuldig. Het maakt me in elk geval heel bewust van mijn kleur en achtergrond. Zoals vaker wanneer ik voor het RCOAK op pad ga naar activiteiten met oudere migranten, zou ik willen ik dat ik ook wat meer wereldburger was, net als zij.
Het ‘juiste zetje’
In het openingsartikel werd het belang genoemd van het ‘juiste zetje’ waardoor oudere migranten aan een community bouwen. Hoe ziet dat ‘juiste zetje’ er bij de OBA uit? Zonder twijfel werkt het heel goed dat de OBA een publieke voorziening is, waar iedereen altijd binnen kan lopen. Dat maakt de drempel laag. Bianca: “Iedereen voelt zich hier welkom, het is geen gesloten community. Ja, het is zo laagdrempelig dat het een soort huiskamer is geworden”. De groep komt samen in de open ruimte waar de boeken staan. Dat maakt dat mensen het zien en dan nieuwsgierig worden. Ultra: “Ik kwam hier een keer binnen om als vrijwilliger namens de gemeente voorlichting te geven over wonen. En toen zag ik deze groep mensen zitten. Het voelde meteen goed. Zo ben ik erbij gekomen”.
Wat verder goed werkt is dat het voor de deelnemers allemaal heel dichtbij is, gewoon in de wijk. Nanhija: “Ik woon hier boven en ik zag de groep zitten in het voorbijgaan. Ik kan beter meedoen, dan in mijn eentje boven zitten, toch?”
Tot slot is het van grote betekenis dat het er nu al zo’n tien jaar is. De groep is een begrip geworden, het staat in de agenda van de deelnemers. Mayssa: “Dát is community. Er is zo’n basis nu. Dat lijkt eenvoudig, maar je bent er jaren mee bezig om dat op te bouwen”.
Wereldburgers
Ik ga energiek naar huis, onder de indruk van deze vrouwen. Van waar ze vandaan komen en van waar ze nu staan. Onder de indruk ook van wat de OBA heeft opgebouwd, met aandacht en geduld. Het woord smeltkroes blijft hangen, voor Suriname, voor deze wijk en voor de plek die de bibliotheek daarbinnen inneemt.
Thuis zoek ik de stamboom van mijn moeder op, het speurwerk dat zij naliet bij haar overlijden en waar ik een poosje mee verderging. Ik heb er jarenlang niet naar omgekeken. Iets drijft me om het er weer bij te pakken, misschien het verlangen om meer te zijn dan ‘uit de klei getrokken’. En het is niet voor niets, het verleden brengt me een paar verrassingen. Terugkijkend duikt in 1799 een buitenlandse voorvader op, uit Bauma in Zwitserland. Nog iets verder terug, in 1781, vind ik een voorvader uit Paliseul in België. Ze waren allebei militair. Ik ontdek dat het niet toevallig is dat zij in Harderwijk terechtkwamen. Want daar was van 1805 tot 1909 het koloniaal werfdepot gevestigd, waar soldaten werden geworven en opgeleid om dienst te doen in wat toen Nederlands-Indië was. Ik lees dat ook Franse, Zwitserse, Duitse en Belgische jonge mannen zich daar meldden, om als huurling dienst te doen. Dan komt de geschiedenis opeens heel dichtbij. In elk geval de Belgische voorvader is naar Indië geweest; in het nationaal archief vind ik een document dat me leert dat hij op 1 maart 1819 op het fregat Cornelia Sara vertrok vanuit Hellevoetsluis. Pas in 1832 kwam hij terug, een verwonding aan zijn rechterarm en een zilveren medaille voor trouwe dienst rijker. Vier jaar later trouwde hij met mijn voormoeder, in Harderwijk. Ze hadden toen al een kind.
Fascinerend vind ik het. Hoe dichtbij migratie en het koloniale verleden komen, als je een paar uurtjes tijd maakt voor je eigen geschiedenis. En hoe klein de wereld eigenlijk is. Een conclusie die ik nooit verwacht had te zullen trekken toen ik eind 2025 aan deze serie begon.
Voor meer informatie over de OBA: www.oba.nl of m.joni@oba.nl.
Dank, Lizzy Pruijssers, voor het afnemen van de interviews.